Wat is in hemelsnaam een slagstuk..?

Op het molenprikbord wordt af en toe ook verbijsterd geconstateerd dat er toch wel heel veel merkwaardige onderdelen in een molen kunnen zitten. Zo kwam half november 2004 aan de orde wat een slagstuk was - wie het wist mocht het zeggen. Nou, dat zul je weten..

Harmannus Noot schreef:

  In mijn exemplaar van het boek Molenbouw (tweede druk 1976) van Anton Sipman, wordt op blz 380 en 381 uit de doeken gedaan wat een slagstuk is. Op blz. 370 staat een tekening. Ik weet dat er ook een slagstuk zit in de kap van molen Windlust te Wolvega. Mocht je niet over bovengenoemd boek beschikken, even in het kort wat Sipman er over schrijft.

  "Het slagstuk vormde een versterking en een verstijving van de overring. Onder het windpeluwgedeelte van de kap had het, tot buiten de voeghouten een dikte (hoogte) van 7, 8 1/2, 12 of zelfs 14 cm; in het roosterhoutgedeelte nam de dikte regelmatig af tot 2 of 4 cm. Het slagstuk eindigde meestal koud tegen de voeghouten achter in de kap."

  Jammer dat ik er geen foto van heb, anders zou ik hem zeker even op het prikbord plaatsen. [Noot: naderhand heeft Harmannus toch een drietal foto's gevonden, kleine uitvoeringen hiervan vindt je op deze pagina, als je er op klikt krijg je een grotere versie te zien]

  Het slagstuk zal een Zuid-Hollandse vondst zijn geweest aldus Anton Sipman. Het werd daar bijna zonder uitzondering op alle molens toegepast. Het komt ook op enkele molens buiten deze provincie voor. Ook op enkele verplaatste molens, zoals voornoemde molen Windlust te Wolvega.

Frank Terpstra schreef:

  De geografische spreiding van bepaalde molentechnische zaken boeit mij altijd zeer. Het vertelt iets over de evolutie die ten grondslag heeft gelegen aan de molenbouw. Interessante vragen zijn: Waarom deed men iets op een bepaalde manier? Waarom alleen of vooral in die regio? Van wie leerden de molenmakers nieuwe ideeen? Had men contacten buiten de eigen regio? Of was er voor een groot deel sprake van toeval in dat hele evolutieproces.

  Wat betreft het slagstuk heeft Jan Hofstra mij eens een interessante theorie voorgelegd. Ik ga voor een groot deel met hem mee in zijn bevinding, al is die gebaseerd op eigen inzichten - niet op een geschreven bron waarin precies staat hoe het is gegaan. Het is volgens Jan inderdaad een (Zuid-) Hollandse vinding (blijkt ook wel uit het huidige molenbestand). Volgens Jan paste men slagstukken toe bij het rollenkruiwerk vanwege de overmatige slijtage (door het invreten van de rollen) van de onderkant van de overring aan de zijde van de askop (daar ontwikkelt zich tijdens het kruien de grootste wrijving en dus de meeste slijtage t.g.v. het grootste gewicht aan die zijde). Jan beargumenteerde deze stelling met de constatering dat overringen (met of zonder slagstuk) juist aan de voorzijde in de praktijk de meeste slijtage vertonen. In sommige gevallen zijn letterlijk centimeters weggesleten na verloop van eeuwen. Men heeft daarom op een gegeven moment gedacht: "laten we aan de askopzijde alvast een slijtlaag aanbrengen". Maar het slagstuk geeft daarnaast natuurlijk ook al mooi wat asstapeling op de koop toe! Een andere mogelijk reden van het "waarom" van het slagstuk. Jan gaf ook aan dat bestudering van bestekken (van oplopende ouderdom) deze theorie ondersteunt.

  Zelf heb ik een onopgelost probleem met de theorie van Jan: Als de onderkant van de overring deels is weggesleten, dan zorgt het slagstuk er inderdaad voor dat er voldoende hoogte overblijft. Echter de overring is wel blijvend scheef afgesleten en vormt met het slagstuk een merkwaardig geheel. Hetgeen er van onderen afslijt is niet vervangbaar door een nieuw slagstuk, dat juist op de overring ligt.

  Zoals Hermannus Noot al noemde: de Windlust te Wolvega heeft een slagstuk, maar dat is een importmolen uit Zuid-Holland. Daarbij is het niet vreemd. Zie andere exportmolens: idem dito in vele gevallen. Wel opvallend is de aanwezigheid op "mijn" eigen molen Deelsmolen te Vegelinsoord. Gebouwd in 1860 deels op basis van Zuid-Hollandse kenmerken. Wellicht diende een Zuid-Holland bestek als basis. Hij heeft ook een slagstuk. Echter vanuit de reden die hierboven is aangedragen heeft het in Deelsmolen geen enkele zin. De molen heeft namelijk van meet af aan een neutenkruiwerk. Staat ook in het bestek. Hierbij geldt het invreten door de rollen helemaal niet: bovendien zijn de neuten voorzien van stalen schenen is onder de overring een stalen ring ingelaten als slijtage laag.

  Keuzes voor bepaalde molenbouwkundige oplossingen: is het toeval? Liggen er gegronde redenen? Wie het weet mag het zeggen! Een voorbeeld als de Deelsmolen laat zien dat sommige keuzes de uitkomst waren van een spaghetti-bord aan evolutielijntjes, zonder dat men er fundamenteel bij nadacht. De context waaruit de toen gemaakte keuzes zijn gemaakt verder onderzoeken kan helpen deze puzzels op te lossen.

Camiel Damen schreef:

  Wat betreft het technische voordeel van slagstukken, dit zou bij een neutenkruiwerk toch niet anders mogen zijn dan bij een rollenkruiwerk. Voor knappende neuten hoef je niet bang te zijn, maar dat de windpeluwdruk wat meer verdeeld wordt, zou toch in wat lichter kruien van de molen moeten resulteren. Overigens zijn er vele lichtkruiende molens (en dan echt niet alleen Engels kruiwerk) zonder slagstukken.

Jan Hofstra tenslotte:

  Het probleem van overmatige slijtage van de overring is dat de voeghouten op de kuip gaan aanlopen. Op verschillende molens met rollenkruiwerk kan men buiten de loop van de rollen wel een kraag van 4 cm groot zien ter plaatse van de steunder. Bij molen nr.2 van de Aarlanderveen) en molen nr. 3 van Zevenhuizen gingen de voeghouten door slijtage van de overring en doorbuiging van de voeghouten, (katteruggen) de voeghouten achter op de kuip aanlopen. Hadden ze geen slagstukken gehad dan was dat al veel eerder aan de voorzijde gebeurd.

  Overigens heeft molen de Eendracht te Kimswerd een neutenkruiwerk en een slagstuk. Uitzonderingen bevestigen de regel.