In onze streek (Groningen) werd veel gebruik gemaakt van zelfzwichters. Ook de Groote Polder heeft lange tijd van dit systeem gebruik gemaakt, wat je aan de askop nog goed kunt zien. Tegenwoordig heeft de GP een Oudhollands wieksysteem wat gebruik maakt van zeilen.

Het zou de vroegere beroepspoldermolenaars denkelijk een gruwel zijn geweest: je moet om te zwichten immers de molen een aantal malen vangen en al die tijd wordt er niet gemalen. Maar voor ons, leerling mulders, is het een goede zaak: er zijn veel molens met zo'n Oudhollands wieksysteem en het voorleggen, zwichten en klampen van zeilen is een kunst die je echt alleen door flink oefenen 'in de vingers' kunt krijgen.

Een zeil mag er natuurlijk niet afwaaien als we 's zomers met een mooie westenwind van 4-5 bft ons maalwerk doen. Nou zouden we het zeil met een nietpistool kunnen vastnagelen, maar onze voorouders hadden deze handige faciliteit nog niet en het zeil moet ook weer loskunnen. Daarom zijn de zeilen voorzien van een aantal touwen (lijnen, zegt de molenaar) die op diverse punten aan het zeil zijn bevestigt (zie de rode punten op de figuur hiernaast). Het andere eind van de lijnen loopt door of om het hekwerk en is daaraan vastgeknoopt. Die lijnen kunnen heel lang zijn, want je moet ze beneden op de grond staand kunnen vastzetten.

Zo'n lijn moet wel goed vast zitten, anders waait het zeil ons alsnog om de oren. En ook hier gaat op dat de lijn weer snel en makkelijk moet kunnen worden losgemaakt. Als het hard gaat waaien of er een onweersbui aankomt is het zaak dat we de zeilen snel weg kunnen nemen. Daarom gebruiken we een aantal speciale knopen, die enerzijds borgen dat de lijnen goed geborgd zijn maar anderszijds met een eenvoudige handeling los te trekken zijn.

In onze praktijk kunnen we het goed redden door drie knopen te leren leggen: de mastworp, waarmee we het zeil na het klampen aan het hekwerk bevestigen, de zwichtlijnknoop of ook wel zwichtlijn steek waarmee we de drie zwichtlijnen aan het hekwerk vastmaken en wat wij in het Gronings "knup van Roelof" zijn gaan noemen: de steek die je gebruikt om het linker onderhoektouw te bevestigen.

We stuiten gelijk ook op een aardig fenomeen: welke knopen men gebruikt is streekgebonden - en soms zelfs van molenaar tot molenaar verschillend. Lammert Groenewold heeft voor het bevestigen van het linker onderhoektouw een andere knup geleerd van zijn leermeester dan Roelof Beugel. Ik prefereer voor het vastleggen van de geklampte zeilen de mastworp, maar Gerda Koster gebruikt een heel andere steek, die ook prima voldoet. Het enige waar vrijwel alle molenaars het over eens lijken te zijn is de zwichtlijnsteek. Sja, en als leerling bekruipt je dan de vraag "welke moet het nou zijn?". Het antwoord is eenvoudig: als je meerdere opties krijgt aangeboden, kies dan degeen die het best bij je past en hou die consequent aan. Een leermeester zal je nooit een knoop aanleren die niet door de examencommissie gekend is en bij voorkeur die knopen leren die in de streek vanouds werden gebruikt.

Als je thuis geen molen bij de hand hebt kun je een oefenhekwerkje maken. Ik heb zelf geoefend op een oud tekenbord van mijn kinderen: een ezel waarvan de latjes die de benen van de ezel uitmaken heel geschikt bleken te zijn om de knuppen op te oefenen.

Hieronder vindt je een tabel met daarin een overzicht van onze knuppen. Om het wat meer inzichtelijk te maken heeft Lammert Groenewold een paar prachtige Powerpoint animaties gemaakt, die ik heb omgezet naar de onderstaande GIF animaties. Je kunt de originele Powerpoint presentatie bij Lammert Groenewold aanvragen.

KNUP VAN ROELOF
 Deze knoop kun je zelfs met alleen je rechterhand maken, wat bijzonder handig uitkomt als je met 3 zwichtlijnen in je linkerhand staat.
KNUP VAN LAMMERT
-  
MASTWORP
KNUP VAN GERDA
ZWICHTLIJNSTEEK