Molinari op schoolreis - korte rust

Ah, schoolreis. Nou ja, het leek er in ieder gevel heel erg op: wij molenaars in opleiding met zijn zessen in twee auto's en dan de hele dag op molenbezoek. Onbezoldigd molenaars in opleiding moeten natuurlijk ook meer zien en van meer weten dan van hun eigen molens - geen betere manier dan ze in persoon te bezoeken. Als je er zelf geweest bent en de lijnolielucht hebt opgesnoven of de geur van honderden jaren oud eikenhout hebt geroken, dan pas gaat het echt voor je leven en valt de theorie ook makkelijker te doorgronden.

Al met al hebben we vijf molens bezocht en zo ook weer de nodige uren voor het maalboek bijeen gesprokkeld. We begonnen onze "Wanderschaft" op De Grafelijke Torenmolen in Zeddam, waar we ruim een uur zijn geweest, daarna ging de reis naar de Agneta houtzaagmolen, waar we enige uren zijn geweest en waar we ook voortreffelijk hebben gelunched. Dan naar De Hollandse molen waar we helaas maar een uurtje konden doorbrengen omdat we verwacht werden op de Oostendorper watermolen en na daar enige uren geweest te zijn zagen we op weg naar huis ook nog een fraaie standerdmolen staan: Wissink's Möl, die net werd afgezeild, maar waar de molenaar ons met plezier nog het een en ander van wilde laten zien. En dan ben je ook zo maar weer anderhalf uur verder. Al met al een kleine 8 uren molenbezoek. Omdat het toch wel even reizen is vanuit Slochteren waren we in totaal bijna 13 uur op stap. Een hele reis, maar zeker de moeite waard.

De heenreis

's morgens om half acht was ieder een bij mij thuis present en gingen we in 2 auto's verder; ik eigenwijs voorop, omdat ik zo'n handig Becker navigatiesysteem in mijn auto heb en dus niet op kaarten hoef te kijken hoe we moeten rijden. Mijn electronische "juffrouw", waar ik al sinds enige jaren een vertrouwensrelatie mee heb opgebouwd, gaf zoals altijd trouw haar aanwijzingen: "nu rechts", "over vijfhonderd meter linksaf", "bij de volgende afslag rechtsaf" en uiteindelijk "u heeft uw bestemming bereikt". Mijn Becker "Miep" werd in het begin door de overige passagiers nog wel met enige argwaan aangehoord: zou zo'n elektronische regelnicht nou echt wel weten waar de Grafelijke Torenmolen te vinden was? Het werd amusant toen "Miep" ook mij even verwarde door me in het zicht van de haven vrolijk over de Duitse grens te sturen. Ook al zijn de grenzen al heel lang open, toch is het nog steeds opmerkelijk dat zo'n navigatiesysteem zich niet houdt aan landsgrenzen maar gewoon de kortste of snelste weg kiest. Remy, die achter mij aanreed, vertrouwde het toch niet helemaal en koos ervoor om het laatste stukje op vertrouwde Hollandsche bodem zijn eigen route te rijden. Helaas kan ik ondanks mijn shortcut door het Duitse niet bogen op een snellere reistijd dan Remy: wij kwamen exact gelijktijdig om 10 uur aan bij de Grafelijke Torenmolen.

De Grafelijke Torenmolen in Zeddam

<< Elke molenaar kent hem: de oudste nog in bedrijf zijnde torenmolen van Nederland, veel besproken en nu dan eindelijk eens "in het echt". Wij zagen hem al van ver staan. Omdat de molen gebouwd is in een periode dat men nog niet zo heel veel wist over hoe je stenen molens bouwt (in die tijd had je vooral standerdmolens, zie ook hieronder) is het een soort burchttoren geworden, waarop vroeger zelfs nog een echt torendak heeft gestaan. Sinds de negentiende eeuw is dat torentje vervangen door een platter deksel. De toren heeft voor een molen een minder gunstige vorm, je hebt dus vaker last van zeilslag. Maar ondanks zijn in verhouding met modernere molens wat plompe vorm is deze molen in veel opzichten reuze interessant. Waar wij op onze achtkanten gewend zijn aan een kap waar je met enige moeite om het bovenwiel moet kruipen om bij het voorkeuvelens te komen, kun je in de kap van De Grafelijke Torenmolen bij wijze van spreken de raadsvergadering houden, met ruimte over voor het journaille. En omdat de kap zo ruim is kun je de diverse details heel goed bekijken. Wij mochten, als mulders in opleiding, ook helemaal bovenin de kap klimmen. Je loopt dan over het linker voeghout naar voren - het rechter voeghout is minder handig, omdat daar ook de vangtrommel staat opgesteld. Je wel goed vasthouden en vooral niet al te vaak naar beneden kijken..

>> De kap ligt op houten rollen en wordt op een bijzondere manier gekruid. De bovenmuur van de toren is aan de binnenzijde voorzien van een houten ring waarin kammen zijn gestoken. In de kap is een kruiconstructie aanwezig, die uiteindelijk twee rondsels aandrijft die zich over deze kammen rond kunnen bewegen en in hun gang de kap meetrekken, als het ware alsof er twee wieltjes aan de kap zitten die over de bovenmuur ronddraaien. Klik op de kleine foto om het origineel te bekijken, waarop je de details goed kunt zien.

De molenaar had speciaal op ons gewacht om de molen in de wind te kunnen kruien, in de terechte veronderstelling dat wij dat wel eens zouden willen zien. Gerrit, die na al dat zitten toch wel graag even weer wat wilde doen, bood zich aan als kruitouwtrekker en ik bleef niet achter. De kap van deze molen is namelijk zo zwaar dat je hem met twee mensen moet kruien.

Door nu gezamenlijk en in hetzelfde ritme aan de touwen te trekken kun je de kap redelijk makkelijk kruien. Heb je het ritme fout of moet je alleen kruien dan heb je toch echt een probleem: je trekt als het ware de kap aan 1 kant klem en moet dan aan de andere kant de boel weer lostrekken. De touwen waar je aan trekt lopen rond over een gaffelwiel, wat via een rondsel een kamwiel aandrijft, waar dan weer het rondsel mee aan wordt gedreven wat zich als een soort wiel over een houten ring beweegt. De oude dame kraakt en piept behoorlijk en wij schrokken ook behoorlijk toen er een tamelijk luide knal klonk tijdens het kruien. We dachten eerst aan een gebroken kam, maar het bleek mee te vallen. Sja, het valt ook niet mee als je al zoveel honderden jaren in functie bent. Om te kunnen kijken of de molen al goed op de wind staat - het is immers een binnenkruier - zijn er vaantjes opgehangen, die gaan bewegen als je goed op de wind staat. Handig.

<<  Bij het opzeilen van de molen ontdekten wij nog een geheel nieuw molenonderdeel: de bordveerborgklamp: een wig die tussen bordveer en kluft wordt geslagen, om ervoor te zorgen dat de oude dame haar windborden niet richting Zeddamse burgerij schiet. En dat molenaars in de praktijk toch af en toe dingen doen die wij op de opleiding niet mogen doen of die ons tenminste niet worden aangeraden bleek maar weer eens: de molenaars van deze molen maken een onderhoekstouwknoop die wij niet kennen en die je volgens ons ook niet zo makkelijk met 1 ruk los kunt maken. Wat je wel vaker ziet en wat ook hier speelt is dat men niet in het end klimt om het zeil voor te leggen, maar dat men de litsen van het zeil, staand op de grond, met een bepaalde slag om de kikkers werkt. Dat ging heel aardig en is natuurlijk een stuk veiliger dan klimmen in een potentieel glad en mogelijk brak hekwerk. Terzijde zij opgemerkt dat het gevlucht van de oude dame inderdaad wel een opknapbeurt kan gebruiken: het is hier en daar al provisorisch versterkt.

Over deze molen kun je hele websites vullen - en dat is dan ook gedaan. Bezoek vooral eens de website van deze molen, waar je op de eerste pagina ook een fraaie tekening van de heer Pouw kunt vinden die de werking van het kruiwerk toont.

Agneta houtzaagmolen

>>  Onder leiding van onze juf waren we vrij vlot daarna al in Ruurlo. Daar werden we door de molenaar gastvrij ontvangen. De molen kon je al op afstand duidelijk zien en dan valt onmiddellijk het wieksysteem - of moet ik wieksystemen zeggen? - op: een roede die Oud Hollands opgehekt is, met fokwieken, de andere roede is voorzien van het Ten Have systeem en heeft Van Bussel neuzen. Och, ja, ik moet voor de lekenlezers onder ons dat natuurlijk verduidelijken: dat Oud Hollands wieksysteem is het bekende tuinhekje wat u aan de wieken van een molen zo vaak ziet, waar de zeilen op komen te liggen. Fokwieken zijn halfronde constructies, die dienen om de wind achter de wiek (een molenaar zegt roede) langs te leiden en zo meer kracht uit de wind te halen. Ten Have kleppen - sja, hoe leg ik dat uit - wel, zie de foto hiernaast maar eens, dan wordt het alvast wat duidelijker >>

Het systeem bestaat uit een vertikaal scharnierende klep, die middels een systeem van stangen dicht en open getrokken kan worden. Normaal is die klep dicht en heb je als het ware het equivalent van een opgezeilde Oud Hollandse wiek (met volle zeilen). Als het wiekenkruis nu voldoende snel rond gaat, wordt door centrifugale kracht via een stelsel van stangen de klep gedraaid, zodat hij dwars komt te staan en zo de molen afremt. Daardoor is er weer minder centrifugale kracht en valt de klep dus weer dicht. Dit zelfzwichtingsysteem wordt meestal maar op 1 roede aangebracht. Op de foto zie je ook de Van Bussel neuzen - een uitvinding van inderdaad een meneer Van Bussel die de aerodynamische eigenschappen van de roeden probeerde te verbeteren. Het systeem lijkt veel op een soort vliegtuigvleugel die aan de roede vast is gemaakt en geeft heel veel extra rendement. De Agneta heeft juist een renovatie ondergaan en het aluminium glimt nog in de zon, wat de molen een wat futuristische uitstraling geeft.

Zoals de oplettende lezer merkt is bij deze molen veel aandacht besteed om veel energie uit de wind te kunnen halen. Dat doet vermoeden dat het hier om een zware werkmolen gaat en dat is ook zo: Agneta is als houtzaag- en korenmolen in gebruik. De eerlijkheid gebied dat in perioden van minder windkracht (onder 5 bft) een elektromotor wordt ingezet om hout te kunnen zagen - ondanks al die verbeteringen is het zagen van hout een te zwaar werk voor de molen als de windkracht geringer is. Vanaf 1982 had de molen op alle roeden fokwieken en naar verluid kon de elektromotor toen maar node gemist worden - het rendement bleek toch geringer dan verwacht. Daarom zijn er bij de laatste renovatie weer Van Busselneuzen geplaatst. Een oude molenaar die nog wel op de molen kwam vertelde altijd dat hij nog had meegemaakt dat Van Bussel op alle vier wieken werd gebruikt en dat de molen in die tijd ook bij zeer geringe windkracht kon malen en zagen.

De molen is in eigendom van molenmaker Vaags. Zodoende worden op deze molen regelmatig ook molenonderdelen gezaagd: toen wij er waren lag er juist een lange schoor op de zaagslede, maar ook worden er bijvoorbeeld wel voeghouten (rond)gezaagd. Een deel van de schuren die onder de molen staan zijn in gebruik als commerciele houtzagerij, maar de molen en het bijbehorende zaagraam worden beheerd door een stichting en door onbezoldigde molenaars aan het werk gehouden. Deze stichting heeft ook een eigen website.

<<   Wij mochten natuurlijk ook even in de kap kijken en daar viel ons het een en ander op: er zit nog fiks staal in die kap. Ze kruit op een een Engels kruiwerk, waarvan je links een deel kunt bewonderen, heeft een stalen vangtrommel. De besturing van de Ten Have remkleppen gaat, net als bij het hier in Groningen zo bekende "klepjessysteem" middels een stang die door de bovenas steekt en die is voorzien van een slede, die op en neer bewogen wordt door de bezaanstok.
Natuurlijk mochten wij het zaagraam ook nog even in actie zien - weliswaar op de elektromotor, maar daarom niet minder indrukwekkend. Wat opvalt is dat zo'n raam veel sneller beweegt dan in bijvoorbeeld paltrokmolens. Na al dat op-en-neer bewegen hadden wij trek gekregen en werden op koffie vergast door de molenaar. We aten met smaak de door Alie meegebrachte proviand op, waarna wij, nagezwaaid door de molenaar, de Hollandse Molen opzochten.

De Hollandsche molen

De molenaar van deze molen ontving ons ook al hartelijk en leidde ons met duidelijk plezier rond in "zijn" molen. Helaas hadden we niet zo heel veel tijd meer - al met al waren we nogal uitgelopen - en dat is eigenlijk wel jammer, want ook in deze molen was weer van alles te zien.

De molen is relatief jong: ze is in de jaren dertig van de vorige eeuw gebouwd, als vervanger van een in een zware storm gesneuvelde standerdmolen. De cycloon, die indertijd het hele dorp zwaar beschadigde, had de molen volledig platgedrukt. Op een trieste foto die je in de molen kunt bekijken zie je de toenmalig molenaar voor de resten staan. De foto is gemaakt in een tijd dat mensen nog niet geleerd hadden de media te bespelen, daarom maakt de duidelijk ontdane houding van de man des te meer indruk. Geen wonder: daar ligt zijn werkgezel, onherstelbaar beschadigd en geen mens die nog weet of-ie ooit weer zal draaien.

En het mocht inderdaad niet meer zo zijn. Maar dankzij de indertijd nog jonge vereniging "De Hollandsche Molen" werd er toch weer een molen gebouwd: een stenen torenmolen met een stelling, bedoeld voor het malen van graan, die als naam de naam van de nog zo jonge vereniging kreeg.

>> De stelling wordt ondersteund door vertikale palen. In Groningen hebben we ook een molen gehad die dit had: 1 van de oude stadsmolens, meen ik, staat er helaas al heel lang niet meer. De stelling is bekleed met asfaltpapier. Zelf vindt ik dat niet echt heel mooi, maar het is wel uitermate functioneel en zorgt voor een goede afwatering. Heel duidelijk zie je aan deze molen af dat ze op de grens van het tijdvak van het bedrijfsmatig gebruik van molens is gebouwd. Hier werd niet zozeer getracht een historische molen te herbouwen - dan had men immers de oude standerdmolen beter kunnen herbouwen - maar om een praktisch werktuig neer te zetten, voldoend aan de eisen van de tijd.

<<  Het grote kruirad op de stelling stelt de molenaar in staat de molen makkelijk te kruien. De borging van het rad - in feite een haspel - wordt gedaan middels een houten staak, die je in de staart van de molen schuift en die een spaak van de haspel tegenhoudt, zie de foto hier links. De molen heeft trouwens, net als de vorige molen, een Engels kruiwerk. Opmerkelijk is de maalstoel, een soort verhoging waar de kuip met de molenstenen (loper en ligger) op zijn aangebracht. Dat zie je niet zoveel in die omgeving. Het wieksysteem lijkt op dat van de eerder bezochte molen: de binnenroede is voorzien van systeem Ten Have (vertikaal geplaatste remkleppen), de buitenroede heeft een Oud Hollands gevlucht en beide roeden zijn voorzien van Van Bussel neuzen.

Natuurlijk mochten wij als molenaars in opleiding ook even in de kap kijken. De molenaar vertelde ons dat de vangbalk ooit boven het voeghout heeft gezeten, ik meen in de tijd dat de molen als houtzaagmolen in gebruik was. Tegenwoordig hangt hij weer waar je hem zou verwachten - eigenlijk vond ik dat jammer, ik had zoiets opmerkelijks graag eens willen zien. Ook tot onze verbazing bleek de lange spruit van .. metaal te zijn. Dat valt niet echt op omdat het ding uiteraard keurig wit is geverfd.

>> De molenaar heeft ook aandacht voor de veiliigheid en had met name rond de koningsspil de nodige maatregelen genomen. Naast het hekwerk wat voorkomt dat de draaiende spil onder bereik van grijpgrage handjes komt - een constructie die je tegenwoordig op veel molens ziet - had hij rond de koningsspil een ronde schijf gemaakt, die zo de gevaarlijke openingen tussen de spil en het gat in de zolder afdekt. Een eenvoudige, maar effectieve maatregel die voorkomt dat er lichaamsdelen bekneld kunnen raken tussen koningsspil en zoldervloer. De constructie doet geen afbreuk aan het historisch karakter van zo'n molen en is zonodig eenvoudig en zonder veel sporen na te laten weer te verwijderen. We vinden dit een goed idee en overwegen om ook iets dergelijks op de eerste zolder van de GP te maken.

De molen heeft haar eigen website, waar je onder meer ook wat oude foto's van de oude standerdmolen kunt bekijken en meer kunt lezen over de geschiedenis van deze interessante molen.

Oostendorper watermolen

De navigatiejuf bracht ons wel in de buurt, maar het laatste eindje moesten we op ons gehoor afgaan. Je hoort zelfs op een paar honderd meter al het klateren van het water - al moet ik zeggen dat het bordje met de veelzeggende tekst "watermolen" toch ook wel wat hielp bij het bepalen van de juiste richting.

>>  Zo'n watergedreven molen is wel heel wat eenvoudiger van bouw dan een windgedreven molen. Hier geen zwichtlatten, zeilen of fraaie wieksystemen: een eenvoudig doch uitermate functioneel waterrad, wat aangedreven wordt door een krachtige straal water die tegen de onderkant van het rad aanspuit. Het hoger gelegen water is van het lager gelegen niveau afgeschermd middels een damwal, waarin zich sluizen bevinden. Deze kunnen door de molenaar geopend worden, waardoor het water met kracht tegen het rad slaat en het zo rond doet gaan. Het water slaat bij deze molen tegen de onderkant van het rad en dus heet zo'n molen een onderslag molen. Er zijn ook bovenslagmolens, waarbij het water tegen de bovenkant van het rad slaat. Volgens Lammert Groenewold zijn er ook middenslagmolens. De lezer raadt het al..

Het grote voordeel van zo'n aandrijving is dat je eigenlijk altijd, gegeven water dan, kunt malen. Geen getuur in de lucht of er wel wind komt, of deze wel betrouwbaar is en of er geen onweer komt. Als er maar voldoende water in de bovenloop staat en de sluis te openen valt, is er te malen. En dat is bij deze molen eigenlijk altijd het geval. Wij molenaars in opleiding, die immers lessen op een poldermolen, verzonnen enthousiast ter plekke een geheel nieuw type molen: de watergedreven poldermolen. We probeerden een situatie te bedenken waarin het plausibel was om zo'n molen te bouwen, maar slaagden daar niet in. Als u zo'n molen kent hoor ik dat graag, dan wil ik daar wel een dagje molenaar zijn!

Maar er zijn meer voordelen aan zo'n watermolen: je kunt heel eenvoudig een maal paling vangen. Ook op poldermolens had de molenaar vaak het recht om fuiken te zetten en bij deze molen is het nog veel eenvoudiger opgelost: de middenste sluis drijft geen waterrad aan, maar loopt uit in een bak, gemaakt van latten, waar het water wel, maar de vis niet uit kan ontsnappen. Het was een kwestie van openzetten en afwachten. Tegenwoording wordt dit niet meer gedaan, omdat de vissers, die je steevast om zo'n molen ziet staan, dan geen vangst meer overhouden.

De watermolen bestaat uit twee schuren, elk aan een kant van de stuwdam. De ene schuur bevat een olieslagerij, de andere schuur een korenmaalderij. Toen wij aankwamen werd er juist meel gemalen: het gebouwtje schudde op zijn grondvesten. Hoewel de aandrijving dus iets anders verloopt dan bij de windmolens is de overige opbouw toch weer vertrouwd: rondsels en kamwielen die uiteindelijk maalstenen aandrijven. De maalderij heeft trouwens zelfs twee waterraden, de olieslagerij heeft er één. Als je zo binnen staat valt de grote constantheid van de aandrijving op, het is net of ze buiten ergens een electromotor hebben neergezet die de boel aandrijft.

De olieslagerij is groot en ruim: je kunt alle delen in die grote schuur goed bekijken. De "olieschuur" is overigens niet origineel meer: hij is net na de oorlog in een watervloed weggespoeld en in de vijftiger jaren herbouwd. Helaas werd er toen wij er waren net geen olie geslagen, al werd tijdens ons bezoek het waterrad van de olieslagerij wel in het werk gezet. Wij zagen ook hoe de molenaar dat dan doet: hij heeft een soort hefboom, waarmee hij de sluisdeuren omhoog wrikt.

Ook hier weer de bekende onderdelen: doodsbed, kollergang, vuister met roerijzer, de wentelas die middels vuisten de heien aandrijft (slag- en los-hei) en het slagblok zelf natuurlijk. In deze molen staat overigens geen naslagblok, zoals in De Wachter. Elke 2e zaterdag van de maand wordt er olie geslagen.

Naast de molen bevind zich een restaurant, waar we dankbaar gebruik maakten van de aanwezige faciliteiten. Na overleg met Gerda besloten we dat het zo wel welletjes was voor vandaag: we hadden naar nog een andere watermolen gewild, maar het was al laat in de middag en we hadden nog een paar uur autorijden voor de boeg. We togen dus opgewekt huiswaarts met een hoofd vol nieuwe indrukken.

Wissink's Möl

Maar het loopt altijd anders dan je denkt. Mijn navigatiejuf stuurde ons richting Noorden. Omdat je met zo'n ding niet constant op borden hoeft te letten en het verkeer rustig was kon ik af en toe ook nog eens opzij kijken - en wat schetst mijn verbazing als ik daar plots, op een steenworp afstand, een schitterende standerdmolen zie staan. De molenaar was hem aan het afzeilen, maar ik wilde eigenlijk de kans niet laten lopen om eens zo'n fraai ding van dichtbij te bekijken. Zo heel veel zijn er niet meer in onze buurt: in Ter Haar staat een standerdmolen en in de vestingstad Bourtange vinden we nog een knappe replica daarvan. Maar een molen als deze zie je niet vaak. Het bleek Wissink's Möl te zijn: een open standerdmolen met 3 zolders en maar liefst 3 maalkoppels.

De molen is groot, indrukwekkend. De molenaar stond gelukkig niet op tijd en hoewel hij de molen aan het opbergen was liet hij ons met duidelijk genoegen "zijn" molen zien. De standerdmolen is het oudst bekende molentype, maar desondanks werden ze toch nog heel lang gebouwd. Deze is van 1802. Tot 1921 aan toe is deze molen daadwerkelijk als productiemolen gebruikt. Daarna werd de molen opgekocht en zou in een openluchtmuseum worden geplaatst, maar het is er nooit van gekomen. De molen werd helaas wel verplaatst, maar dat was zeker geen goede zaak: hij stond voortdurend bloot aan vandalen. Jazeker, die had je vroeger ook al...

Het verval sloeg verder toe en de molen was zelfs bijna gesloopt, ware het niet dat op het laatste moment nog geld beschikbaar kwam om een aantal noodreparaties uit te voeren. Gelukkig werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw de molen verder opgeknapt, wat zich 15 jaar later nog eens herhaalde. Dan gebeurde er in 1981 iets heel bijzonders: de molen werd op zijn oorspronkelijke plaats teruggeplaatst en nogmaals gerestaureerd. Hij staat daar nu nog. En wij stonden er naast.

De standerdmolen draait - vandaar ook zijn naam - op de standerd, een enorme eiken balk die als een soort pen vertikaal omhoog steekt. Op die pen draait de steenbalk waar de kast vast mee is verbonden. De standerd is met een opmerkelijke constructie verbonden: hij steekt niet in de grond, maar wordt als het ware zwevend gehouden door hem aan vier kanten te schoren middels steeds twee parallel lopende schuinstaande balken (die heten steekbanden). Die steekbanden zijn aan het eind weggewerkt in horizontale liggers, de zogenaamde kruisplaten. Onder de kruisplaten liggen dan weer blokken hout, de zonneblokken, die uiteindelijk op stenen stiepen (teerlingen) liggen, in totaal op 4 stuks.

>>  Peter had ook hier weer een aantal foto's gemaakt, maar die zijn door de slechte lichtomstandigheden niet helemaal gelukt. Ik heb daarom enig retoucheerwerk gedaan en het resultaat is nu een zwart/wit plaatje. De lezer zij gewaarschuwd: de molen ziet er in het echt een stuk mooier uit. Toch kun je de constructie van de voet op deze foto goed zien en daar ging het me om.

Je staat met name te kijken van de omvang van deze molen: een groot gevlucht (meer dan 25 meter) en 3 zolders. De trap moet je letterlijk beklimmen en als je wat last van hoogtevrees zou hebben dan wilde je zeker op deze molen geen molenaar zijn. De molen is van binnen voorzien van electrische verlichting, en op strategische plekken is voorzien in een lamp, zodat je alles goed kunt bekijken. Het is verbazingwekkend hoeveel ruimte er nog in zo'n kast zit en vooral ook hoe efficiënt die benut is. Wij ontdekten op de bovenste zolder - ik zou bijna "de kap" gezegd hebben, maar dat heb je natuurlijk niet op dit type molen - nog een aardigheid: de vang op deze molen werkt met een houten klink, die precies net andersom werkt dan de ijzeren klinken die we wel vaker hebben gezien. Hij scharniert dus niet aan de bovenkant, maar aan de onderkant.

De molenaar demonstreerde ons ook nog hoe het luiwerk functioneert. Het luiwerk wordt aangedreven door een kammenwiel, wat in de kammen van het bovenwiel kan grijpen. Je regelt dit door aan een touw te trekken, wat via een hefboom de as en daarmee het kammenwiel omhoog beweegt, tussen de kammen. Dat gaat natuurlijk prima als de molen stilstaat, maar dan heeft het luien niet veel zin. Zou je het kammenwiel bij draaiende molen echter zonder verder na te denken in het bovenwiel trekken dan kan dat je kammen kosten. De truuk is dat je de luias alvast in beweging brengt: middels een rondgaand touw breng je het gaffelwiel in beweging, dat gaffelwiel zit via de luias aan het kammenwiel vast, wat dan dus gaat draaien. Met een behendige haal aan de stuurstok trek je dan het (hopelijk in ongeveer het juiste tempo) draaiende kammenwiel tussen de kammen van het bovenwiel. Wel aan de goede kant van het rondgaande touw trekken, natuurlijk...

Wissink's molen heeft op ons grote indruk gemaakt, evenals de gastvrijheid van haar molenaar.

De thuisreis

Dwars door Duitsland en langs talloze 80 kilometerwegen kwamen we uiteindelijk om acht uur 's avonds aan de Groenedijk aan. De passagiers van mijn volgauto hadden zich wel verbaasd afgevraagd of die juffrouw van mij mogelijk wat seniel aan het worden was: het leek wel of ze krampachtig probeerde om ons uit de buurt van welke snelweg dan ook maar te houden. Naderhand bleek het toch te kloppen: er liggen in die streek van het land nou juist geen autosnelwegen.

Aan het eind van een lange, maar leerzame dag namen wij afscheid van elkaar. Over een paar weken gaan we alweer!