Logo van Het Maalboek
<< krimpen [urenoverzicht] [19-11-2005] [startpagina] ruimen >>

 tijd 3,5 uur
 molen Zeldenrust
 wie A. Bosch
 wat Praktijk
 weer ZW 2-3
 werk Zeilen voorleggen, afnemen, krooien, examenvoorbereiding


Aah, Westerwijtwerd - daar was ik lang geleden al eens geweest, op zoek naar een collega die een tuinfeest zou geven. Bij aankomst konden we toen het juiste huis niet vinden. De mobiele telefoon was nog niet uitgevonden in die dagen en zo belandde ik in de kroeg. "Moi, ik mout aine bellen..kin dat hier?" Dat kon. Men leidde me naar de gang, waar een bakelieten telefoontoestel hing dat nog moest stammen uit de tijd dat de telefoondraden op palen langs de huizen liepen. Het had nog net geen slinger. Ik betaalde het gesprek en bestelde uit dank een biertje. "Kom mor mit noar kroug, mien jong" Het bleek een authentieke huiskamerkroeg te zijn. In de huiskamer stond een grote tafel, met daaromheen stoelen en banken. De tafel was bekleed met zo'n ouderwets, dik tafelkleed. De kamerwanden waren behongen met het oudste behang wat ik in tijden had gezien. In het behang ontwaarde je de contouren van kastdeuren - vroeger behong men de kastdeuren immers gewoon mee. Aan de wand schilderijen en foto's en hier en daar een bierreclame. De boel stond stijf van de sigarenrook. Achter een tafeltje zat een wat oudere dame. Op het tafeltje stond een groen geëmailleerd kistje wat als kassa diende. Bestellen - jenever of bier - en dan boter bij de vis. Dan pas kreeg je je flesje gerstenat of "klokje" uit krat of fles geserveerd. Een tap was er niet: naar verluid had men er de juiste papieren niet voor. Maar ach, wie maalt daar om? Ik heb met plezier tussen de mannen met petten en sigaren gezeten en hun "dikke stukken" in smeuig Gronings aangehoord. Dat maak je niet alle dagen mee.

Ik had dus al goede herinneringen aan Westerwijtwerd. En vandaag was ik er dus weer, al heb ik de kroeg niet bezocht. De Henkies - Henk Helmantel en ondergetekende - moeten immers de 10e december examen doen op de molen in Westerwijtwerd en brachten vandaag dus een werkbezoek aan die molen. Was mijn eerste bezoek aan dit dorpje al een belevenis, de tweede keer deed er niet voor onder.

Elke molen is uniek, dat bleek maar weer eens. Alleen de kleurstelling al: de askop in fraai blauw, de ster in geel. De kroonlijst bovenaan het met dakleer beklede molenhuis is in rood-wit-rood-wit-blauw uitgevoerd. De roeden zijn - zeer fleurig, maar bepaald niet gebruikelijk - rood geverfd. Op 1 roed vinden we zelfzwichting en Van Bussel en op de andere roed Oud Hollands hekwerk. Ook opvallend is de tamelijk diepe zeeg in het Oud Hollands deel van het gevlucht, en het gegeven dat 1 roede - de roe met zelfzwichting - 20 centimeter langer is dan de andere. En het is ook nog de buiten-roe. De Zeldenrust - zo heet deze molen - is een koren- en pelmolen. En ook een stellingmolen met stenen onderbouw, waarop het ondertafelement met een achtkant. We zouden in de loop van de middag nog meer eigenaardigheden ontdekken.

Henk en ik waren wat aan de vroege kant en Arnold Bosch, de sympathiek molenaar, was nog druk met het middagmaal. Maar "ga gerust alvast naar binnen" en zo deden we ook. De molen heeft een aantal verdiepingen: eerst de begane grond, dan een tussenzolder waar - we komen er straks op terug - de paarden van de pelstenen hangen en waar we een opmerkelijke meelpijp aantroffen, dan de pelzolder annex maalzolder, dan de steenzolder waar we 1 koppel maalstenen aantroffen, dan een luizolder en tenslotte de kap. De stelling ligt op gelijke hoogte met de maalzolder/pelzolder.

Op de eerste verdieping was niet zo heel veel te zien: de muren, bestaand uit een achttal beren of stiepen, die de illusie geven dat er een stenen achtkant staat. Daartussen dan "velden" die duidelijk dunner zijn dan de "achtkantstijlen". Op de begane vloer vonden we een bintlaag, die in de muren was ingelaten en werd ondersteund door dikke houten balken. Dan de trap naar de eerste zolder.

Op de eerste zolder zagen we twee paarden - uiteraard niet de dieren, maar de constructie die de bolspillen van de pelstenen dragen. We zagen onmiddellijk dat er geen lichtwerk aanwezig was, dus moesten die wel de paarden van de pelstenen zijn. Ook op een pelmolen heet de constructie die de steen draagt het paard. Hier vinden we ook een pasbalk (ook wel vonderbalk genoemd) en een kussen - waar de bolspil in lagert. Die spil waar de pelsteen op draait heet dus ook "gewoon" bolspil. Opmerkelijk was een aandrijfwiel wat om de bolspil bevestigd was. Door een riem om dat wiel aan te brengen kon je de pelsteen met een motor aandrijven. Een teken dat men op deze molen nog vrij lang door was gegaan met het pellen van gort. Offringa[1] had hier duidelijk zijn slag niet kunnen slaan. Op deze eerste zolder vinden we ook het instrument wat officieel de wanmolen heet: een soort omgekeerde stofzuiger, aangedreven door een snaar of riem die op zijn beurt weer wordt aangedreven door een snaarwiel om de bolspil van de naloper.

Een ander opmerkelijk detail op deze zolder is een meelpijp. Die had ik een zolder hoger verwacht, eigenlijk. Hoe zou dat dan zitten, vroeg ik me af: zouden ze dan een maalstoel op de pelzolder hebben? En het werd nog gekker: waar waren de touwen om de boel te regelen? Bij de meelpijp vinden we toch meestal een touw om de steen te kunnen lichten en verder vaak een tweede touw waarmee je de druk van de aanslag op de klapspanen kunt regelen. Niets van dat al hier! We stonden er bij en keken er verbaasd naar.

Arnold had inmiddels zijn noenmaal achter de kiezen en voegde zich bij ons, gehuld in een fraaie trui van het Groninger Landschap. Later voegde ook molenaar in opleiding Celine Koch zich bij ons, ook al gehuld in zo'n fraaie trui. De molen is tegenwoordig namelijk in eigendom van het Groninger Landschap en die stellen passende kleding beschikbaar aan de molenaars. "Waar is deze pijp voor?" wilden we weten. Het bleek inderdaad een meelpijp te zijn. En het klopte dat je de touwen voor het bedienen van het lichtwerk hier niet vond: die kon je op de pelzolder annex meelzolder vinden. Maar.. eh.. hoe deed die molenaar dat dan? Nou gewoon: hij stond op de maalzolder, waar hij de stenen op de gebruikelijke wijze inregelde. Maar hij hing geen zak onder de meelpijp: hij hing er een verloopstuk aan, wat via een luikje in de grond aansloot op de pijp die op de onderste verdieping uitkwam. Klik op de foto om molenaar Bosch dit te zien demonstreren. Op de achtergrond zie je Celine staan.

Henk en ik wilden een paar keer op de molen zijn geweest voor we er proefexamen zouden doen. Je wilt immers wel een beetje "het gevoel" bij de molen krijgen. En je kunt ook niet alles in 1 keer in je opnemen. Ik heb me daarom deze eerste keer beperkt tot wat ik op de de eerste 3 zolders aantrof, Henk Helmantel heeft zich juist meer op de bovenste zolders en de kap gericht. Volgende week draaien we die rollen om. Maar vandaag verdween Henk Helmantel met Celine in de kap, terwijl ik beneden met Arnold achterbleef.

Arnold wees me op de voor een pelmolen, uitzonderlijk lichte contructie van het achtkant: hier geen dubbele veldkruisen, bijvoorbeeld. De beide pelstenen liggen, zoals dat bij een pelmolen hoort, tussen twee zolders annex vloeren. Overigens is de bovenste vloer niet over de volledige breedte van de zolder aangebracht: de zeef, die we hier ook vinden, staat op de onderste vloer en voor je gevoel dus "in een gat". De zeef wordt aangedreven door een schijf op de pelspil (steenspil) van de naloper. Op deze zolder treffen we ook een werkbank en specifiek pelgereedschap aan, zoals een rauwbeitel en een loodbeitel.

Op veel pelmolens is, om veiligheidsredenen, horizontaal tussen de beide stenen een zware balk aangebracht: de slagbalk. Die ontbreekt hier echter. Helaas kan de voorloper momenteel niet gebruikt worden, maar de andere pelsteen (de naloper) is in principe inzetbaar. Maar dat is natuurlijk niet handig: als je de schoot uitlaat zou de molen onbelast draaien en op hol kunnen slaan.

Ondertussen was ook de tweede leerling molenaar van deze molen, Wolter Goossen, gearriveerd. Wolter hielp bij het openleggen van de pelzolder. Het pelblik is nog origineel, het is dus daadwerkelijk gebruikt voor de productie van gort. Opmerkelijk is dat er ook pelblik op de kuipdeksels is geslagen, iets wat je niet zo heel vaak ziet.

"Weet je wat we hier niet hebben?" vroeg Arnold me. Nee, dat wist ik niet. "Nou, een jeneverkastje!" grinnikte Arnold. Zo'n kastje werd vaak in of achter een korbeel verstopt. Je moest precies weten waar het zat en dan ook nog precies weten waar je moest drukken en trekken om het open te krijgen. In zo'n kastje zat dan een fles jenever en een glaasje. Als het dan echt eens ruig was gegaan, maar de molen toch nog gevangen en gered, dan namen de nog natrillende molenaars er maar eentje. Voor de schrik..

Vervolgens keken we nog op de maalzolder. Het maalkoppel is voorzien van een kunststeen, tenminste: dat dachten wij, gezien de betonnen bovenkant die we ontwaarden. Wat spelen met mijn cameraatje leerde dat de loper was voorzien van een Engelse balanceerrijn. Je kunt de constructie duidelijk zien op de foto. Op de klauw zie je zelfs een markeertekentje (een X). Eigenlijk had ik die ook op de binnen- en buitenrijn verwacht, maar ik kon ze niet zien. Zoals je ziet wordt de steen af en toe gebruikt: je ziet het graan nog in het kropgat liggen.

Henk was inmiddels weer met Celine uit de kap afgedaald en bij gebrek aan een jeneverkastje hielden we het bij koffie. Ook wel zo veilig.. Dan gingen we de stelling op: de molen moest natuurlijk wel even draaien. De zuidwesten wind neigde wat tot ruimen naar het westen. De molen stond aardig op de wind, krooien was eigenlijk niet nodig, maar omdat het toch alvast eens gedaan wilden hebben op deze voor ons nog nieuwe molen krooiden we wat krimpend. Daartoe moesten we de kruidraad omleggen. Dat gaat op zich makkelijk, je moet alleen wel goed opletten hoe je de draad onder- respectievelijk bovenlangs moet leiden. Dat kunstje had Henk Helmantel vlot onder de knie.

Na het krooien vroegen we Arnold hoe hij normaliter te werk ging om zeil voor te leggen: trok hij dan de kleppen dicht of niet? Ja, dat deed hij. Arnold vertelde ons ook dt hij, als de molen onbelast draaide, nooit gewicht aan de ketting hing. Natuurlijk wel als er gemalen moest worden. Dus: de kleppen dicht, geen gewicht aan de ketting en de vang er af. En inderdaad, het gevlucht liep keurig aan. De Busselneuzen helpen behoorlijk.

Ondertussen naderde een buienfront uit het westen. Deze keer gedroeg het weer zich keurig volgens het boekje: de lucht werd donkerder, de wind viel even weg om dan, vergezeld van een fikse plens water, met kracht terug te keren. "Vang hem maar even" adviseerde Arnold, die duidelijk niet op brokken zat te wachten. Dat de wind nog aardig onverwachte streken kan spelen merkte Henk Helmantel. Hij had een jentig petje op de kop. Had, inderdaad: hij greep nog.. maar het petje verdween "gejaagd door de wind" over de balie. "Der nait achteraan hor!" riep ik. "Nee, dat mor nait.." zegde Henk en keek kwasi-treurig naar beneden, waar zijn petje braaf op hem lag te wachten.

Na de bui lieten we de molen weer lopen, maar de wind was niet echt sterk. Zeil bijleggen dan maar? We moesten het immers toch eens gedaan hebben, zo voor het examen. Okay, doe maar jongens. Het zeil is hier heel makkelijk voor te leggen: inplaats van een onderhoeksknoop te moeten leggen heeft men hier een handig klampje gemaakt. Touw straktrekken, een of twee keer om de onderstek heklat winden en in het klampje straktrekken. Klaar.

Bij het voorleggen van het 2e zeil bleek dat het aardig hoog hing. Dat zinde geen van de aanwezigen en Arnold liep het gevlucht in om het rechter bovenhoektouw los te maken en wat te laten zakken. Sja, dan moet het linker bovenhoektouw ook los, anders krijg je nare plooien. Celine haalde het linker stormluik uit en wij zetten het gevlucht een beetje overhoeks, zodat ze goed bij de zeilarm kon. Even later lag het zeil er weer keurig voor.

We hebben de molen nog een tijdje laten draaien, waarna we afscheid namen van Arnold, Celine en Wolter. Henk en ik daalden vergenoegd af: wat een fraaie molen. Henk's petje begroette zijn baas enthousiast en nestelde zich weer dolgelukkig op diens hoofd. Huiswaarts!


[1]Offringa was een Groninger ondernemer die eigenaar was van een gortfabriek. Hij kocht waar hij maar de kans kreeg pelstenen op van pelmolens, niet zozeer om ze te gebruiken, maar om de pelmolens op deze wijze ongeschikt te maken voor productie van gort. Zo schakelde hij veel concurrenten uit.