Logo van Het Maalboek
<< krimpen [urenoverzicht] [08-10-2005] [startpagina] ruimen >>

 tijd 3 uur
 molen Windlust
 wie Marius Biesheuvel
 wat Praktijk
 weer Z 2-3
 werk Krooien, in- en uit het werk zetten stenen, lichten stenen, zelfzwichting


Het is een fraaie nazomerdag als ik het parkeerplaatsje naast de Windlust oprijdt. De molen staat er in het frisse morgenlicht mooi bij, mijmer ik. Ik repeteer in gedachten de onderdelennamen van de stelling: ondersluiting, binnensluiting, buitensluiting, stellingdelen, stellingschoren, kraaiepoten, thermometer, balie.. thermometer? Hee, verroest, daar hangt inderdaad een soort thermometer aan de balie. "Môgge, Henk" klinkt dan de stem van Marius Biesheuvel door de morgenlucht. "Môgge, Marius. Joh, wat hangt daar nou aan jouw balie?" vraag ik verbaasd. Marius legt uit dat Lex van der Gaag en hij zich gezamenlijk inzetten om de stenen van de molen opnieuw gebild te krijgen. Dat kost geld en dat is, zoals mogelijk bij de lezer wel bekend is, een minder gangbaar goedje in de molenaarswereld. Vandaar die meter: die geeft aan hoeveel van het benodigde bedrag al binnen is. Wel, laten we dan maar hopen dat de financiële temperatuur de komende tijd ook zo aangenaam is als de buitentemparatuur van de laatste weken. We hebben immers, half oktober, nog steeds dagen waarop de 20 graden grens wordt overschreden.

Ondertussen zijn Gerrit en Remy ook aangekomen en we gaan de molen in. Binnen aangekomen zie ik dat Marius woord heeft gehouden: de regelmatige lezer weet zich nog te herinneren dat ooit de ANWB een fout bord had aangeleverd, zie ook de lesverslagen van 2 april en 9 april 2005. Marius had een tijdje geweigerd dat foute bord op te hangen, maar op mijn suggestie had hij besloten er een educatief element van te maken. Het bord hang inmiddels in de molen, met een papiertje er naast met de volgende tekst:


               ZOEK DE FOUTEN!!!

In de tekst van dit A.N.W.B. bord staan drie fouten.
Een ervan is een taalkundige fout en kan door iedereen
worden gevonden.

De twee andere zijn fouten die door molenaars of zeer
geïnteresseerde molenkenners kunnen worden gevonden.


Als u de fouten heeft gevonden laat het ons dan even
weten.

Wij kunnen er helaas geen prijs aan verbinden, maar
vinden het wel leuk om het van u te horen.

Wel, als lezer van Het Maalboek heeft u alvast een paar streepjes voor bij het vinden van de antwoorden..

Zo met het toelatingsexamen voor de boeg let je meer dan ooit op details. Zo liep ik me al een dag of wat af te vragen waar de zwichtstang zijn lagering heeft. Weet u nog: bij zelfzwichting is de bovenas doorboord en daar loopt dan een zwichtstang door. Die stang zit aan de voorkant in de spin en aan de achterkant in een slee. Het gevlucht gaat rond, dus moet die stang in mijn beleving ofwel mee draaien - dan draait de stang dus in de slee - ofwel moet hij stil staan, maar dan zou hij in de spin moeten draaien. Ik kon het in het Gildemateriaal niet echt terugvinden. Toch maar eens kijken hoe het op Windlust zit, had ik me voorgenomen.

Maar voor ik zover kwam wilden we toch eerst de molen eens aan de praat krijgen, daar gaat het immers allemaal om. Opzeilen hoeft dus niet op een zelfzwichter, overigens niet echt tot groot genoegen van molenaar Biesheuvel. Marius heeft weliswaar niets tegen zelfzwichting, maar heeft de indruk dat het huidige gevlucht voor deze molen wat te zwaar is. De molen komt altijd wat lui over, heeft niet echt veel kracht, verzucht Marius dan. Hij zou liever een Oud Hollands gevlucht op de molen hebben, dat is veel lichter. Overigens heeft er tussen 1969 en 1984 ook een Oud Hollands gevlucht opgezeten, maar in 1984 is dat weer vervangen door zelfzwichting - zo was het immers voor 1969 ook geweest.

Helaas voor ons heeft de molen geen zelfkruiïng: de molen staat west en de wind is zuid... dat wordt krooien met elleboogsmeer. Op het gevoel staat er trouwens bijna geen wind, maar we besluiten om net te doen alsof - het is ons al vaker opgevallen dat het altijd vanzelf gaat waaien als de molens draaien ;-). We krooien dus met vereende krachten de molen op het zuiden, lichten de vang en hangen een gewicht aan de zwichtketting. Maar de klepjes gaan niet open. Wat nou dan? Oh ja, dat is ook zo: de treklat is hier extra geborgd. Dat zie je vaak bij zelfzwichters: mocht de wind van achter tegen het gevlucht blazen dan kunnen de klepjes dicht worden geblazen en kan de molen - ook nog verkeerd om draaiend - op hol slaan. Nou ja, uiteraard ligt het gevlucht ook nog aan de ketting en zal de vang er stevig op liggen en natuurlijk heeft de molenaar de molen bij stormverwachting met het gevlucht in de wind gekrooid, maar toch, voor alle zekerheid, je kunt niet weten..

We trekken de borgpennen uit de treklatten en trekken aan de ketting die via de bezaan de zwichtboom bereikt. Die trekt nu de zwichtboom naar beneden, de zwichtstang gaat vooruit, de knietjes buigen en de treklat schiet naar boven. De klepjes gaan dicht en de molen komt op gang. En dat doet-ie, ondanks dat "zware gevlucht" en het ontbreken van een echte wind, tot onze stomme verbazing toch vrij vlot. Hee, Marius, ik dacht dat deze molen zo stroef op gang kwam? Marius grijnst breed en steekt een olieklipje omhoog. Hij legt uit dat hij wel eens een drupje "startolie" op het halslager aanbrengt - minerale olie - om de molen wat op gang te helpen. "Sja, dat is ook weer zoiets: in de molenwereld gaan wilde verhalen dat de halssteen daar zacht van zou worden, maar daar geloof ik niet in" verteld Marius. "En het helpt de molen enorm: tijdens de eerste omwentelingen is de reuzel, vooral in de winter, nog hard. Dankzij de drupjes olie komt de molen vlot op gang en door de wrijving verdund de reuzel juist op het goede moment: als de olie alweer van de as af is neemt de nu zachte reuzel het werk over" legt hij uit. Wel, het lijkt te werken, want hoewel niet hard draait de boel toch.

We drinken dan eerst maar eens koffie. Op de achtergrond horen we de steen rondgaan: die is weliswaar gelicht, maar het lijkt wel of hij toch wat aanloopt. Marius staat op en trekt eens stevig aan het lichttouw. "Dat helpt wel wat, maar" legt Marius uit, "na verloop van tijd gaat-ie toch weer wat aanlopen. Eigenlijk moet-ie uit het werk als je niet wilt malen" Dat is aan geen dovemansoren gezet, ik draaf de stelling op en vang de molen. Daarna naar het takrad en na enig wrikken krijg ik het balkje wat het rondsel op zijn plaats houdt los, wrik het rondsel wat naar buiten en loop dan weer naar beneden. Vang er af en ja hoor, daar gaat-ie weer. Tijd voor een 2e kop koffie, nu in een aanmerkelijk stillere molen.

Tijdens het tweede bakkie ontdek ik op tafel twee boeken: "Over molens der familie Honig", van P. Boorsma en "Zwaaiende wieken" van H.A. Visser. Boorsma's boek stamt uit 1939 en dat van Visser uit 1946, het zijn dus boeken die geschreven zijn door mensen die al wisten dat de molens niet langer economisch rendabel waren en die probeerden om zoveel mogelijk nog vast te leggen in hun boeken. De auteurs hebben beide een leesbaar boek geschreven, al moet ik zeggen dat ik het boek van Boorsma leuker vond: het gaat heel specifiek over een groep oliemolens aan de Zaan, waar het boek van Visser meer een algemeen overzicht van allerhande molentypen geeft. Boorsma gaat heel uitgebreid in op de bouw en reparatie van deze molens, beschrijft op voor mij inzichtelijke wijze hoe de molens werden gerepareerd, hoe bepaalde klusjes werden gedaan, hoe de tradities rond het rouwen en huwen waren en zo meer. "Mag ik..?" aarzelde ik. "Welja" lachte Marius breed, "je mag ze best even lenen hoor!"

Dan doe ik nog verslag van de Gildevergadering, die op 3 oktober gehouden werd. Remy, Gerrit en Marius waren er namelijk die avond niet geweest. Er is onder meer toen gestemd over de verbetervoorstellen van een commissie die onderzocht heeft hoe Het Gilde op een nog betere manier les aan onze cursisten kan geven. Met name het concept "lokale molenaar" of basismolenaar doet stof opwaaien: bedoeld wordt iemand die op 1 molen(type) werkt en dus ook "alleen maar" voor dat ene type opgeleid wordt. Veel Groninger molenaars vinden dat maar niets: ze menen dat het een inferieure molenaar oplevert. Ik meen dat dat wel wat zelfgenoegzaam is: er zijn legio vrijwilligers te vinden die inderdaad maar op 1 molen(type) zouden willen werken. Dat kan in mijn optiek prima, zij het dan dat ik de mening onderschrijf dat je niet te veel moet tornen aan de eis dat mensen een stevig aantal uren onder begeleiding op een molen gewerkt moeten hebben. Ik voel dan ook veel voor een extra mogelijkheid om een op 1 molentype gerichte opleiding te kunnen volgen, maar vooralsnog behoor ik tot een minderheid.

Op de steenzolder maak ik nog wat foto's van het regelwerk: hoe zat het ook weer met die touwtjes waarmee je kon regelen hoeveel graan er in het kropgat valt? Met behulp van mijn computer geef ik de touwtjes naderhand een kleurtje, zodat het allemaal wat makkelijker uit te leggen valt: klik het icoontje hier links maar eens aan. In het popupje zie je dan een foto van de kaar en schuddebak. Je ziet dat er aan de aanslag - dat is het houtje wat aan de schuddebak zit en wat tegen de klapspanen aantikt, waardoor die bak inderdaad gaat schudden - een rood, een geel en een groen touwtje zitten. Het blauwe touwtje loop onder de aanslag door en naar beneden, waar het bij de meelpijp uitkomt. Het rode touwtje loopt om een rol, waarvan ik de countouren ook heb ingekleurd en ook weer naar beneden.

De molenaar heeft dus 2 touwtjes: een blauwe en een rode - nou ja, stel dat de molen in zijn geheel met het tekenprogramma is bewerkt, dan, want ik het echies zijn die touwtjes meestal niet gekleurd.

  • Trekt de molenaar aan het rode touwtje, dan trekt hij de klapspaan op en dus wordt de hellingshoek van de schuddebak kleiner en wordt er minder graan in het kropgat geschud.

  • Trekt de molenaar aan het blauwe touwtje, dan trekt hij via de hefboom op de voorgrond eigenlijk ook aan het groen touwtje, waardoor de aanslag wat van de klapspanen wordt getrokken. Laat hij het blauwe touwtje weer los dan zal de aanslag, door het gele touwtje waaraan een verend stuk hout is bevestigd, terug worden getrokken.

Je kunt zo de graantoevoer vrij nauwkeurig regelen. Overigens heeft niet elke korenmolen precies deze voorzieningen: soms is de schuddebak niet "op afstand" in hoogte te stellen, maar dient dat voor het malen bij gedaan te worden middels een zogenaamde hangerkam en pees.

Tenslotte kom ik op de stelling nog een heel interessant fertuut tegen: een mooie constructie waarmee je het veiligheidsnet kunt bevestigen. Een weliswaar niet erg authentiek onderdeel - vroeger spanden molenaars geen hekjes op de stellin - maar wel vernuftig: zo hoef je maar 1 gaatje te boren voor een haak en heb je toch 4 of 5 haakjes voor je net.

Zoals altijd als we lessen op Windlust was er weer veel te zien. We gingen om 12 uur opgewekt uiteen, ik met de beide boeken stevig onder de arm. Volgende week ga ik leren pellen en blikslaan op de Ceres in Spijk.

Naschrift: nou was ik verdorie dus helemaal vergeten om in de kap kijken hoe het zat met die zwichtstang. Gelukkig kreeg ik naderhand Lammert Groenewold nog even aan de telefoon, die juist - er is weer geen toeval - bezig was met een Powerpoint presentatie van de zelfzwichting. "Zel ik die dat ais vertelln?" vroeg Lammert "Kiek, stang droait mit bovenas mit. Hij mout dus wel in slee loagert wezen. En dat is dus ook zo.". Weer iets geleerd!