Logo van Het Maalboek
<< krimpen [urenoverzicht] [26-02-2005] [startpagina] ruimen >>

 tijd 2 uur
 molen De Goliath
 wie Ida Wierenga-Spijk
 wat Theorie
 weer -
 werk Het weer


Het was vandaag een opmerkelijke dag: 's morgens zat ik namelijk nog bij een reus en 's middags bij de kaboutertjes. Echt waar.

We waren vanmorgen eerst te gast bij de reus Goliath. De Goliath is de meest Noordelijk gelegen molen van het Nederlandse vasteland en Ida Wierenga zwaait daar al vele jaren de scepter. Ida staat bekend om haar grote kennis van zaken rond het weer en zij wilde ons daar met plezier wat over vertellen. Heel interessant, ik was er graag tot het eind bij gebleven, maar het kwam er niet van: kabouter Plop zat namelijk in de weg.

Kabouter Plop?? Jazeker, ploppertjes, Plop trad namelijk gistermiddag op in het Groningse Martiniplaza en mijn kinderen hadden kaarten. Ze zijn nog wat te klein om alleen te gaan, dus zat ik 's middags om 1 uur in het theater, met vrouw en kinderen, luidkeels "de kabouterdans" te zingen. Plopperdeplopperdeplop.

Maar voor ik aan de kabouters begon dus eerst op weg naar een reus. Nou ja, reus.. dat zie je op afstand helaas niet meer. Zo fraai de molen de kim ook siert, op afstand valt hij helaas in het niet tussen het woud van stakerige Essent windreuzen die er aan alle kanten omheen zijn gebouwd. Pas als je dichterbij komt, waardoor die storende stroomstaken het zicht wat minder domineren wordt het duidelijk waarom de molen zijn naam draagt. Het is daadwerkelijk een reus, een mooi achtkant met slanke lijnen en een ruime kap. Een bijzonder fraaie poldermolen die tegenwoordig middels circuitbemaling weer maalvaardig is gemaakt. We hebben de molen zelf niet bezocht, dat gaan we zeker nog eens doen: vandaag kwamen we immers om onze weerkennis op te poetsen en dus lesten we in het naast de molen staande voorlichtingscentrum.

We werden hartelijk door Ida ontvangen. Het terrein was wat drassig en er lag een poeltje modder, waar we bijna doorheen waren gelopen, ware het niet dat Ida ons bij aankomst al toeriep "nait deur dei bragel doar hen hor, aans heb ik dammeet de boudel binnen vol liggen". Ze schudde ons vervolgens een ferme hand en ging ons voor naar voornoemd zaaltje, waar koffie en koek op ons wachtten.

Er kwamen heel veel zaken aan de orde, deze morgen. Wat zou de eerste vraag zijn die je zou moeten stellen op heen vreemde molen, vroeg Ida. Wel: "waar is hier het noorden" bijvoorbeeld. Ah, maar die vraag stellen wij natuurlijk niet, want dat kun je zien. Hoe dan? Wel: om een uur of 11 's morgens, ergens op een junimorgen, staat de zon altijd mooi in het zuiden. Maar het gaat ook met je horloge: de kleine wijzer laat je naar de zon wijzen en dan kun je het zuiden vinden door de halve hoek tussen de kleine wijzer en het cijfer 12 te bepalen. Nou ja, zo ongeveer dan, want de zomertijd gooit een klein beetje roet in het eten (zo'n zes graden), dus kun je als we zomertijd hebben beter de '11' nemen. Je kunt ook kijken naar de bomen: aan de noordwest kant zie je vaak veel groene aanslag; dat komt omdat er vanaf die kant veel regenbuien komen.

Dan verder met de theorie rond de 8 winden. Ik werd uitgebreid doorgezaagd door Ida over de situatie dat er op een winterdag een noordenwind staat. We hebben natte zeilen, want de dag ervoor regende het stevig. Nu waait er al een stevige noordenwind, het loopt tegen vieren en de lucht klaart op. Het wordt steeds kouder. Is dit gunstig of ongunstig, vraagt Ida? "ongunstig" bedacht ik. Oh ja, waarom dan? Nou, ik kan me zo voorstellen dat met zo'n gure wind de zeilen bevriezen. Okay, broodmes er dan maar door? Nee, dat niet, bedenk ik: doordraaien (of malen) tot de zeilen gevriesdroogd zijn. Jahaa, maar dat kan wel even duren, want de noordenwind ken een dagelijkse gang, dus: 's morgens zwak, 's middags wat sterker en dan 's avonds weer zwak. Nou, dan ben je om 9 uur 's avonds nog op je molen.. Ida had het wel eens meegemaakt.

De windrichtingen en de uit die richtingen waaiende winden vulden voor een groot deel de rest van de morgen: er zijn meer winden met een dagelijkse gang: winden uit het westen, zuidwesten en zuiden en winden uit het noorden en noordoosten. Oostenwind heeft weer andere kenmerken: ze is in de winter stabiel, maar in de zomer onstabiel en kan plotseling krimpend omgaan. 's Zomers komen er met de zuidelijke winden vaak onweersbuien mee, met name de zuidoosthoek is berucht. Daar komt ook het fenomeen voor dat de wind eerst stevig uit het zuidoosten waait, dan plotseling wegvalt en dan even later uit de noordwesthoek terug keert - dus: je gevlucht aan de verkeerde kant inblazend. "din is de meulen net n zailboot" grimlachte Ida, die het al wel eens mee had gemaakt. Dat opmerkelijke gedrag, wat alle molenaars kennen en vrezen, komt voor wanneer een depressiekern recht over de molen trekt. Zo'n kern trekt altijd van het noordwesten naar het zuidoosten: de wind waait altijd in de richting van de depressiekern, dus: eerst uit het zuidoosten, dan even stil - de kern is dan recht boven de molen - en dan komt de wind uit het westen of noordwesten terug. Waar hij dan ook wat langer zal blijven.

Ida speelde aan de hand van een paar modelmolentjes ook de situatie na dat een depressie ons ten zuiden passeert: de wind komt eerst uit het zuidoosten, krimpt dan verder tot oost, de bewolking neemt toe, de wind krimpt dan verder tot hij tenslotte, als de depressie in het zuidoosten terecht is gekomen, zelfs uit het noordoosten tot het noorden kan komen. We snapten ook gelijk de oude regel dat, wanneer je met je ko.. eh.. rug in de wind staat, de depressie altijd links of linksvoor van je te vinden is.

"Moak dei winden dien winden!" oreerde Ida - en hoewel alles aan de tafel toch ver boven de 40 was werd er breed gegrijnst bij die opmerking. "krimpende winden bennen din nait de ainegste stinkende winden!" grinnikte een cursist. Maar wat Ida bedoelde is natuurlijk duidelijk: een molenaar moet de tekenen die wijzen op een plots onweer of een depressie die langtrekt goed kunnen herkennen. Als je bijvoorbeeld een depressie passeert is de kans op krimpende winden groot - en dan heb je je kruiketting natuurlijk aan de goede kant liggen. Als de depressie recht over je trekt en de molen valt stil - wel, opbaargen en aan ket!. Wil je die dag nog malen, dan weet je al dat de wind straks uit een westelijke richting zal komen, je zou je molen alvast in die richting kunnen kruien, ware het niet dat de kans op een onweersklap daarvoor te groot is. Wegzetten, ketting er op en de bliksemafleider er op, tot de kern is gepasseerd.

Zo bij de dijk zijn de winden toch al hoogst onvoorspelbaar, vertelde Ida: ze had wel meegemaakt dat de stroomstaken deels naar het zuiden en deels naar het noorden gedraaid stonden! Ook kan de dijk de wind soms keren en krijg je hem dan deels achter het gevlucht. Allemaal situaties die bij de GP niet of nauwelijks voorkomen. Ida heeft haar enthousiasme goed over weten te brengen, ik zal haar zeker nog eens weer bezoeken.