Logo van Het Maalboek
<< krimpen [urenoverzicht] [15-01-2005] [startpagina] ruimen >>

 tijd 3 uur
 molen Scheemda (geen molen, theorielokatie)
 wie Klaas Strijk
 wat Theorie
 weer Vrijwel windstil, vorst, onbewolkt.
 werk weerkunde, de theorie van de praktijk, allerhande



Vanmorgen stapte ik opgewekt in mijn auto. De Groote Polder stond er suikerzoet bij: als een plaatje uit een Disneyfilm, met een fraai palet aan roze en blauw op de achtergrond. Sprookjesachtig. Het was rustig weer, net rond het vriespunt met rijp op de ramen en het gras. De reis naar Scheemda bood ook al veel van die mooie plaatjes die goed bij een wintervertelling zouden passen: een mooie, laaghangende rood-oranje wintermorgenzon, de rijp kon met wat fantasie wel voor sneeuw door en de mooie pastelkleuren aan het firmament maakten het beeld compleet.

Bij aankomst bleek dat nu ook Gerda slachtoffer was geworden van de hinderlijke buikgriep die ook Lammert al had geveld. Klaas stond er vandaag alleen voor, maar had - hoe kenmerkend voor Gerda - instructies meegekregen wat er nou precies aan bod moest komen.

Als eerste kregen we het over het weer. Klaas had ter illustratie het weerbericht uit het Dagblad van het Noorden meegenomen en, zoals je op het plaatje hiernaast ziet, stonden de leerlingmolenaars daar met zijn allen met enige ontsteltenis en verbazing naar te kijken. Isobaren, koufronten, warmtefronten.. kijk, dat lucht van hoog naar laag stroomt, dat gaat er nog wel in. Dat er een afwijking is omdat de planeet draait - we snappen het. Maar ja, als er dan 2 lagedrukgebieden zijn en 1 hogedrukgebied, hoe stroomt dan de wind? En waarom gaat het zo dicht bij het lagedrukgebied dan toch anders dan je denkt? Gelukkig wist Lex er ook wel wat van en hij legde op het whiteboard keurig uit hoe het zat: lucht wil van hoog naar laag, maar volgt daarbij geen rechte lijn. Dat komt omdat onze planeet draait. Op het Noordelijk halfrond dwingt die kracht de wind naar rechts. Dus draait de lucht, op zijn weg van hoog naar laag, rechtsom om het hogedrukgebied heen. Als de luchtstroom uiteindelijk bij het lagedrukgebied aan is gekomen veranderd de draairichting: de wind wordt dan linksom het lagedrukgebied in gezogen.

Dan kwamen wat "best practices" aan de orde, weerservaringen, dingen die van generatie op generatie over worden geleverd. Bijvoorbeeld: stel dat je een stalen bovenas in je molen hebt en je komt op een dag in de kap en ziet dat de as nat is: er bestaat dan een grote kans op ijzel. Als je met je rug in de wind staat, dan bevindt zich het lagedrukgebied wat die wind veroorzaakt zich links van je. Als de wind gedurende de dag krimpt is dat vaak een teken van verslechtering van het weer, vaak aangegeven middels een gezegde: "krimpende wind, stinkende wind". De wind ruimt vaak gedurende de dag en neemt dan in kracht toe. Tegen de avond krimpt de wind vaak en neemt in kracht af. En zo voort.

Ook hadden we het nog over het fenomeen dat bij dezelfde windsnelheid de molen veel meer energie krijgt dan in de zomer. Dat blijkt te komen omdat de lucht in de winter dichter is: de luchtmoleculen zitten dichter op elkaar en dus raken er meer je gevlucht dan in de zomer, waneer de wind als het ware "dunner" is. Al met al is "het weer" een complex thema. Klaas, die ruiterlijk toegeeft dat hij ook geen Jan Pelleboer is, stelde dan ook voor om ook eens met zijn allen een een dagje bij Ida Wierenga door te brengen. Ida is molenaar op De Goliath en kan met groot enthousiasme en veel kennis van zaken over het weer vertellen. Het voorstel werd met instemming begroet.

Na al het meteorologisch geweld besteedden we aandacht aan de praktijk. Wat doe je als eerste als je op een korenmolen komt? Je zet de stenen uit het werk, anders loop je kans dat je bij het kruien de boel hopeloos ontzet. We hadden het over kruien, over de maatregelen die je bij nood kunt nemen, zoals zwichten met de staart. De molen neigt er toe om ruimend om te kruien, als je de staart dus lost ruimt hij uit zichzelf. Dat is echter een gevaarlijke excercitie, die je vooral NIET moet willen doen als vrijwillig molenaar, werd ons verteld: de krachten zijn enorm en een molen die snel draait en van nature licht kruit rolt dan met een enorme gang rond. Het gevlucht komt dan onherroepelijk op de mulder af. Nood breekt wet, maar zwichten met de staart door de kruikettingen los te maken en de molen zichzelf ruimend te laten kruien is echt het allerlaatste redmiddel.

Hoe komt het trouwens dat een molen de neiging heeft om uit zichzelf ruimend om te gaan? Een tekeningetje maakt dat duidelijk <<: hiernaast zie je een schematische dwarsdoorsnede van een gevlucht, bovenas, bovenwiel, bovenbonkelaar, koningsspil en onderbonkelaar. Het rondje met het kruisje er in beweegt naar je toe (molens draaien immers vrijwel altijd linksom, van voren gezien). Stel je nu een voor dat een reuzenhand de koningsspil vasthoudt maar dat het gevlucht nog beweegt: dan zie je dat het bovenwiel als het ware door rolt over de bovenbonkelaar. Het gevlucht komt dan naar je toe, dus: draait rechtsom (ruimend) op de bovenbonkelaar. In de praktijk is het geen reuzenhand maar bijvoorbeeld de belasting van de vijzel of maalstenen die de spil remmen. Molens, als ze ten minste niet voor de Prins draaien, neigen dus van nature naar ruimend kruien.

Zoals ik verleden week al schreef heb ik het molenboek van Sipman - ik schreef verleden week nog abusievelijk Sipma, zonder 'n' - over kunnen nemen. De tabel die ik verleden week publiceerde staat er inderdaad in en wel op pagina 101. Het gaat om het boek "Molenbouw" van Anton Sipman, ISBN 906011.332.2, Uitgeverij De Walburg Pers, Zutphen. Ik kan me trouwens goed voorstellen dat je over die tabel heen kijkt - hij zit verstopt in twee regeltjes tekst. Het is een lijvig boek en zeker niet iets wat je "even" doorleest. Toch lijkt het me, me wat ik nu al heb gezien, zeer zeker een boek wat ik vaak en graag zal inzien.

Naar aanleiding van enige discussie op het molenprikbord wilde ik van de ervaren molenaars die aanwezig waren wel eens weten hoe zij nu eigenlijk hun roedeketting vastmaken: strak of met een boogje? Het unanieme antwoord was: met een boogje. De motivatie: de vang moet zijn werk kunnen doen en dat vereist enige speling. Verder hadden we het vandaag nog even over de molens in Winschoten, waarvan 1 binnenkort 3 meter zal worden verhoogd. Klaas wist precies te vertellen hoe dat in zijn werk zou gaan: de molen wordt als het ware in een stalen frame geborgd en dan in zijn totaliteit hydraulisch opgekrikt, Dat wordt nog een heel spektakel. We leerden ook nog wat de uitdrukking "hij staat op staal" betekent: dat zegt dat een gebouw (zoals een molen) ongefundeerd op bijvoorbeeld klei staat. De ondergrond is dan zo hard dat fundering niet nodig is.

Na de les besloot ik nog even bij molenmaker Molema op het erf te kijken. Molema heeft zijn werkplaats op een steenworp van ons leslokaal en heeft een modelmolen op het erf staan. Ik schoot nog een paar fraaie plaatjes, waarna ik naar huis toog om me te wijden aan het vastleggen van onze kennis op Het Maalboek. Oh ja, en sinds vandaag heeft Het Maalboek ook een RSS feed. Als je wilt weten wat dat is, ga dan naar de hoofdpagina en klik de RSS button aan.