Logo van Het Maalboek
<< krimpen [urenoverzicht] [21-08-2004] [startpagina] ruimen >>

 tijd 4 uur
 molen De Wachter
 wie Marius Biesheuvel
 wat Praktijk/theorie
 weer W, 2 bft, bewolkt
 werk olieslaan, stoom afblazen, pannekoek eten


Nou. lezers, ga er maar eens breed voor zitten - het was een bijzondere, lange en leerzame morgen, waar heel veel over te vertellen valt. Zoveel zelfs, dat ik mogelijk het olieslaan tot een eigen thema zal verheffen, wat dan weer op de themapagina's terug te vinden zal zijn. Maar voorlopig nog even alles op deze pagina.

Vandaag lestten we - Gerrit, Remy en ondergetekende - in Zuidlaren. Daar wordt door een ploeg van enthousiaste vrijwilligers niet alleen de (achtkante stelling)molen draaiend gehouden, maar ook een aantal stoommachines, een stoomlocomobiel en zelfs een heuse raderboot. Daarnaast bevat het gebouw een werktuigenmuseum, een bakkerij en een winkeltje en kun je er verse, eigengebakken pannekoeken en broodjes eten, vergezeld van goede koffie. Aanrader voor een paar uurtjes gezinspret. Zie voor meer details en informatie over de openingstijden de uitgebreide website van de wachter: http://www.dewachter.nl.

Maar ondanks de andere interessante zaken kwamen wij dus voor het betere werk: olieslaan, onder bezielende leiding van olieslager Marius Biesheuvel. "Hee, ho!", hoor ik u in gedachten roepen "Marius is toch de molenaar van Windlust, waar jullie op 25 juni hebben gelest? Is dat dezelfde persoon?" - jazeker, dat is dezelfde persoon. En met hetzelfde aanstekelijke enthousiasme waarmee hij ons toen "zijn" korenmolen liet zien, liet hij ons vandaag kennis maken met het olie slaan.

Na hartelijke ontvangst met koffie troonde hij ons mee naar zijn Heiligdom: de olieslagerij. Dat het hier met hogere dingen toegaat werd ons al snel duidelijk: in een koofje trof ik een heuse relikwie aan: het Heilig Oliesel van Onze Wachter, waarvan ge links een foto ziet. Eronder een plakkaat, waarop te lezen valt: Dankzij een ploeg vrijwilligers, die niet stil hebben gezeten mag "De Wachter" van Zuidlaren weer Koren- en Oliemolen heten. De olieslagerij, voorgedreven door de wind, is na een lange periode van 90 jaar, weer in zijn oude staat hersteld en kwam toen op 12 juli 1994 klaar. Samen met de wind, onmisbaar voor deze olieslagerij, maakten zij voor 't eerst uit lijnzaad deze olie vrij. Aha.

De Hogere Dingen waren er trouwens ook letterlijk: boven onze hoofden wentelden assen en wielen. Ook een paar die ik niet onmiddellijk zou verwachten: zo ontwaarden wij met onze hoofden in onze nek een heuse electromotor, die het mogelijk maakt om bij stil weer toch demonstraties van het olieslaan te geven en ook.. een dikke gaspijp. Als Slochtenaar sprak mij dat natuurlijk aan, maar waarom zat dat ding daar - hadden ze rond 1900 zo'n constructie in de molens? Welnee: op nog authentieke oliemolens zit hier een dikke houten balk, de wentelas, zie bijvoorbeeld de wentelas zoals die op de Collsemolen in Eindhoven te zien is. Op die wentelas zitten dan nokken, die de slaghei en loshei aandrijven. Waarover straks meer.

Helaas: er was bij de heropbouw van de olieslagerij niet meer voldoende geld om zo'n dure balk aan te schaffen en de gaspijp kon men voor niets krijgen. Dus is vrijstelling gevraagd en verkregen en is deze eenvoudige, functionele en goedkope oplossing gekozen. Puriteinen onder ons zullen dat hoofdschuddend aanzien, maar ik meen dat het een goed voorbeeld is van hoe je als vrijwilligersorganisatie roeit met de riemen die je hebt.

Marius toonde ons hoe het olieslag proces werkt: je hebt twee grote maalstenen, die op hun kant ronddraaien - het lijken wel twee wagenwielen, zoals die bij de Flintstones in gebruik waren - waaronder het lijnzaad geplet wordt. Die stenen heten kantstenen en draaien rond op de zogenaamde ligger. De ligger is een molensteen die "gewoon" op zijn kant ligt en die op zijn beurt op een constructie ligt die de opmerkelijke naam doodsbed draagt. Mja, zo'n witte steen die daar roerloos ligt.. inderdaad, ik snap hoe ze aan die naam zijn gekomen. Het geheel van kantstenen en ligger noemt men ook wel de kollergang.

Een aantal schuivers en vegers - formeel heten die strijkers - leiden steeds het geplette zaad weer onder de stenen. Je kunt verder water toevoegen, wat uitermate belangrijk is om een hoog rendement uit het zaad te krijgen. Door middel van wat Marius humorvol "houtje-touwtje" constructies noemt - touwen waar inderdaad dwarshoutjes door zijn gestoken die je achter een soort vork kunt "schorten" - kun je de vegers ophijsen en neerlaten. Er is een strijker die je kunt neerlaten en die het geplette zaad naar buiten veegt, via een uitneembare schuif, waarna het in een bak landt.

Het geplette lijnzaad komt vervolgens op een heet gestookte plaat terecht. De plaat wordt heetgestookt middels een kolenvuurtje. Op de plaat ligt een losse metalen ring, de zogenaamde pan, waarin het geplette lijnzaad wordt gestort - altijd 2 spint - en waarin zich een door de molen aangedreven roerijzer ronddraait. Dit om aankoeken te voorkomen en een gelijkmatige verdeling van de hitte te krijgen. De hele constructie wordt het vuister of ook wel eens het fornuis genoemd. Nadat het geplette lijnoliezaad de juiste temperatuur heeft gekregen wordt het roerijzer stilgezet. De juiste temperatuur is een gevoelskwestie, het is ongeveer 40 graden, maar de molenaar voelt met de hand en weet uit ervaring hoe het aan moet voelen. Dan wordt de ring (de pan) naar voren getrokken. Aan de voorkant van het vuister bevinden zich namelijk twee gaten, die het begin vormen van een trechter, waaraan zakken (de bulen) hangen. De pan wordt nu over die gaten getrokken, waardoor het warme geplette zaad gelijkmatig verdeeld in de bulen valt.

Vervolgens worden de bulen in de haren gedaan: leren omslagen, die vroeger aan de binnenkant waren voorzien van een matje wat deels uit paardenhaar bestond. Tegenwoordig zijn we de kunst wat kwijt geraakt hoe men die haren vroeger maakte en dus heeft men op de Wachter, na enig experimenteren, mahonie-triplex in gebruik. De haren worden nu met hun vulling van bulen-met-warm-lijnmeel in het slagblok geplaatst. Dat is een zware houten bank, waarin middels wiggen en heien druk opgebouwd kan worden. Stel je het zo voor: een houten bank, waarin een sleuf is gemaakt. In die sleuf zie je 2 wiggen: een gewone en een omgekeerde. Op die wiggen slaan de heien: zware balken (100 kg) die opgetild worden door de gaspijp - eh, pardon, door de wentelas. De heien worden middels touwen in en uit het werk gezet (het uit het werk zetten heet opschorten). De wiggen drijven de zogenaamde jaagijzers naar buiten. Die jaagijzers persen nu de haren tegen de buitenkant van het slagblok, waardoor bij elke slag olie uit de buul wordt geperst. Die olie loopt onderin in een bak: dat is het product waar het allemaal om is begonnen. Aan het eind van het proces is de meeste olie uit de koek geperst - dit heet de eerste persing - maar door de grote druk is het niet mogelijk om de bulen uit het blok te krijgen. Daarom wordt nu de loshei in het werk gezet. Die slaat op de loswig en na enige slagen komt de hele boel inderdaad los en kun je de haren er alsnog uitnemen. De bulen worden nu uit de haren gehaald en de platgeslagen lijnoliekoeken worden uit de bulen gestroopt op een zogenaamde kaakbank.

De koeken bevatten echter nog olie en worden daarom gebroken en in zogenaamde potten (appel- of peervormig en dus toepasselijk appelpotten of perepotten genaamd) verder fijngestampt, met wat water bevochtigd en daarna opnieuw verwarmd op het vuister. Het procede herhaald zich - de tweede persing - maar deze keer wordt een ander blok gebruikt, waarin we een nog hogere druk kunnen opbouwen: het naslagblok. De koeken werden tenslotte als (kracht)veevoer ingezet: in de winter hadden de koeien alleen hooi als voeding en daar zat niet al te veel voedingstof meer in. De oliekoeken vormden een welkome aanvulling.

Natuurlijk mochten wij ons ook een aan het slaan van olie wagen. Maar niet nadat eerst een rondgaande bakkersgezel ons van verse worstebroodjes had voorzien - uit eigen bakkerij. Toen wij ons allen eens hadden gewaagd aan pletten, verwarmen, heien, opschorten, stropen en breken was het tijd voor koffie en een verdere rondgang door de molen. Overigens: lijnoliemeel, zo kan ik mededelen, smaakt goed en schijnt heel gezond te zijn.

Hoe indrukwekkend zo'n olieslagerij ook is, maar ik had van veraf al gezien dat deze molen fokwieken had en dat wilde ik wel eens van dichtbij bekijken. Maar voor ik daar aan toe was moesten we eerst nog langs de specerijenmolen - die bestaat uit een aantal malen een soort kleine uitvoering van de kollergang van een oliemolen, waar men peper, kaneel, kruidnagel en wat dies meer zij plet - en langs het gereedschapsmuseum.

Daar stuitte ik op een wel heel bijzonder fertuut (de Groninger benaming voor een onbenoembaar en wonderlijk ding): een maalwekker. Dat ding werd door poldermolenaars gebruikt om hen wakker te maken als 's nachts het polderpeil zo hoog kwam dat er eigenlijk gelijk gemaald moest worden. Het ding bestond uit twee verende hamers, die zo waren bevestigd dat ze tegen de bedstee van de molenaar konden slaan. De hamers werden bewogen door nokken in een trommel. Om die trommel zat een touw gewikkeld waaraan een gewicht hing, een soortgelijk mechaniek als je in staande klokken vindt. De trommel kon echter niet draaien - en de hamers stonden dus stil - omdat hij tegengehouden werd door een verende pal. Die pal werd naar beneden gehouden door het gewicht van een drijver, die middels een touw aan de pal zat. Die drijver nu hing boven het polderpeil. Als het peil steeg, dan begon de drijver te drijven, waardoor de pal lostte, de trommel rond ging draaien - aangedreven door het gewicht - en de beide hamers op de beddestee van de molenaar klopte, die dan zijn bed uitschoot om de molen te laten malen. Andere tijden..

Op 16 november ontving ik aanvullende informatie over de maalwekker, die eigenlijk.. "klopper" bleek te heten.

Uiteindelijk kwam ik dan toch terecht bij de feitelijke molen. Marius had ons al gevraagd goed te kijken of we een onderdeel konden vinden dat in de 19e eeuw nog niet op die molen gezeten kon hebben. Ik had op Texel al Fauel fokwieken gezien en wist dat die hier ook zaten - en ook dat Fauel pas na de 2e wereldoorlog zijn systeem had uitgerold. Ook Gerrit en Remy hadden dat gelijk door, Marius kwisje was dus een makkie. Maar de molen heeft heel wat meer eigenaardigheden. Zo is het een molen zonder zeilklampen, sterker nog: de zeilen worden er nooit geklampt. De molenaar, die uit de zeilwereld komt, heeft een ingenieus en simpel systeem bedacht: hij heeft het gevlucht voorzien van katrollen en hijstouwen en kan de zeilen nu onderaan het hekwerk vastmaken en dan ophijsen - Zie de zwart-wit foto die ik hier van heb gemaakt. Ik heb op een vergroting van een deel van die foto de "hijslijnen" in geel aangegeven, je kunt de katrolletjes zelfs vrij goed duiden. Dit systeem heeft als voordeel dat je heel lang met je zeilen doet: die worden niet geklampt, dus ook niet opgerold en blijven niet buiten hangen. De zeilen die men daar nu gebruikt zijn al 10 jaar oud, zeer vaak gebruikt en zien er nog prima uit. Of je dit soort innovaties wel of niet op prijs stelt hangt een beetje af van hoe je een molen bekijkt: moet hij altijd authentiek zijn en blijven, of mag je moderne aanpassingen verzinnen die je veel geld besparen bij het werken met de molen? Vergeet niet dat ook de Wachter alleen maar draait omdat er vrijwilligers werken en dat de budgetten voor nieuwe zeilen niet echt heel groot zijn.

Maar er zijn meer aardige dingen: de voeghouten die over de glijring draaien tijdens het kruien zijn aan de onderkant van keerklampen voorzien - dat is nog heel normaal. Maar bijzonder is dat de keerklampen hier een wiel ingebouwd hebben: inplaats van de keerklamp loopt dit wiel tegen de binnenkant van de glijring, wat natuurlijk aanmerkelijk lichter kruien tot gevolg heeft. Zie de foto hiernaast, waarop je ook de in de molen aanwezige ringleiding ten behoeven van de automatische sprinklerinstallatie aantreft.

Ook opmerkelijk is de pal: waar op de GP en op de meeste andere molens een pal met wat kammen tussen de kammen van het bovenwiel kan vallen om teruglopen te voorkomen of er soms wel een balk tussen spruit en kruisarm wordt geschoven met hetzelfde oogmerk vinden we op de Wachter een combinatie van die twee zaken: een veer drukt een balk tegen de kruisarmen en bij terugloop valt hij achter een kruisarm en blokkeert het bovenwiel. Een touw kan van buiten af, evenals bij de GP, aan worden gehaald en om een kieviet gelegd, waardoor de balk los van de kruisarmen wordt getrokken en het bovenwiel vrij kan draaien.

Op De Wachter is veel te zien. Veel te veel om in een relatief korte beschrijving samen te vatten. Wij hebben ons, onder de indruk van al het nieuwe wat we te zien kregen, nog danig tegoed gedaan aan soep, pannekoeken en broodjes, die men daar tussen de middag aan de vrijwilligers serveert en daarna zijn we tevreden huiswaarts gekeerd. Olieslager is toch ook een mooie hobby. Ze kunnen trouwens op de Wachter nog wel een olieslager en een mulder gebruiken, dus, als een lezer zich geroepen voelt...


Update:  P. v.d. Bosch gaf op 16 november 2004 op het molenprikbord de volgende toelichting bij het ding wat ik had leren kennen als een "waterpeilwekker":
  Ik wil wel wat opheldering geven over de "waterpeilwekker" dat apparaat bestaat wel maar niet onder die naam. Ik was in juni in de molen De Wachter te Zuidlaren en daar hoorde ik die kreet voor het eerst. Maar: die "waterpeilwekker" heet eigenlijk een klopper. En die heeft gewerkt in de Bovenmolen van de Oostvaart van de Hazerswoudsche Droogmakerij te Hazerswoude Z.H. gesloopt 1913/14. De klopper die nu in De Wachter hangt komt uit de Bovenmolen te Aarlanderveen. De klopper is ongeveer in 1955/56 uit de molen gesloopt wegens het uitbreken van de bedstede, en het maken van slaapkamers.

De werking van de klopper was als volgt: de bovenmolen staat te ver uit de polder (2-3 kilometer). Als er in donker begonnen werd met het malen in de nacht, duurde het te lang voor dat de bovenmolenaar gewaarschuwt was door zijn collega watermolenaar (er was geen GSM). Dus als de ondermolens gingen malen kwam het water omhoog in de boezem achter de bovenmolen. Daar hing dan in de achterwaterloop een vlotter en die stond in verbinding via een touw met een houten opwindwerktuig gelijk een klok met kontragewichten. Als het water hoog genoeg kwam in de boezem ging er een pal over en liep het apparaat af, met houten kloppers op de bedsteewand. Vandaar de naam klopper! Dan wist de bovenmolenaar dat de bemaling een aanvang had genomen en dat hij ook moest beginnen. De klopper is jaren lang zoek geweest en via molen De Valk in Leiden te Zuidlaren terecht gekomen. Daar is hij niet erg deskundig gerestaureerd en ook de naam is gerestaureerd. Ik ben in het bezit van een kopie van de klopper op ware grootte die volgens oudmolenaar D. van Harten (ruim 55 jaar molenaar te Aarlanderveen) zuiver nagemaakt is.

David Reitsma wist nog te melden: op pagina 75 van het boek Molenleven in Rijnland van A. Bicker Caarten (uitgegeven te Leiden in 1946 door A.W. Sijthoff's uitgeversmij NV) staat een tekening van zo'n wekker .. eh.. klopper. Met dank aan David voor het beschikbaar stellen van een scan van de tekening.